Loop en stroomgebied
De Logone ontstaat op de grens van Tsjaad, Kameroen en de Centraal-Afrikaanse Republiek uit de samenvloeiing van de Pendé en de Mbéré, die op de Adamaoua-hoogvlakte en in de heuvels van het zuiden ontspringen. Vanaf daar stroomt de rivier over ongeveer duizend kilometer naar het noorden, met een minimaal verval. Ze passeert Laï, Bongor en Kousséri, en voegt zich bij N’Djamena bij de Chari, die het gezamenlijke water naar het Tsjaadmeer brengt. Over een groot deel van haar loop vormt de Logone de staatsgrens met Kameroen; de brug bij Nguéli, even ten zuiden van de hoofdstad, is daarmee de drukste landgrensovergang van het land.
De rivier geeft haar naam aan twee provincies, Logone Occidental met de industriestad Moundou en Logone Oriental met het oliegebied rond Doba. Verder stroomafwaarts loopt de grens tussen Tsjaad en Kameroen langs Mayo-Kebbi Est.
De overstromingsvlakte
Wat de Logone bijzonder maakt, is niet haar lengte maar haar vlakke benedenloop. Tussen ongeveer Bongor en de monding ligt een vrijwel horizontale vlakte waar de rivier bij hoogwater buiten haar oevers treedt en een gebied van duizenden vierkante kilometers onder een laag water van enkele decimeters tot meer dan een meter zet. Aan Kameroense zijde heten die vlakten de yaérés. Het water blijft er weken tot maanden staan, zakt daarna weg of stroomt terug naar de rivier, en laat vruchtbaar slib en een dichte grasgroei achter.
Een bijzonderheid is dat de Logone bij extreem hoogwater een deel van haar water kwijtraakt aan de Mayo Kebbi, die naar het westen afwatert richting de Benue en uiteindelijk de Niger. De waterscheiding tussen het Tsjaadbekken en het Nigerbekken is hier zo laag dat de twee stroomgebieden tijdelijk verbonden raken — een van de weinige plaatsen ter wereld waar zoiets structureel gebeurt.
Een dam die vis kostte: de aanleg van de Magadam in het Kameroense deel van de vlakte, eind jaren zeventig, sneed een groot deel van de jaarlijkse overstroming af. Visvangst en veeweide liepen sterk terug, waarna vanaf de jaren negentig met kunstmatige doorlaten weer water naar de vlakte is geleid om het systeem gedeeltelijk te herstellen.
Vis, vee en rijst
De overstromingsvlakte is een kraamkamer: vis trekt met het stijgende water de vlakte op, paait daar en keert bij het zakken van het peil naar de rivier terug. Vissers vangen die terugtrekkende vis met fuiken, netten en dammetjes van riet. Onder de soorten zijn tilapia, meerval, nijlbaars en de alestessoorten die gedroogd verhandeld worden. In het meer van Léré, in het westelijke grensgebied, komt bovendien de Afrikaanse lamantijn voor, een schuwe zeekoeachtige die in het hele bekken zeldzaam is geworden.
De vlakte is ook weidegrond: zodra het water zakt, trekken kudden uit de drogere gebieden naar de verse grasmat. En ze is de rijstschuur van de regio. Rond Bongor en langs de benedenloop wordt zowel traditioneel drijfrijst als geïrrigeerde rijst geteeld, naast sorghum op restvocht. Voor de bredere context daarvan, zie landbouw.
Mensen langs de rivier
Aan de Tsjadische zijde wonen onder meer Massa, Toupouri, Moundang en Kim. Voor de Massa en Toupouri zijn de collectieve visvangsten aan het einde van het droge seizoen een sociale gebeurtenis van jewelste: honderden mannen zakken tegelijk een geul in met werpnetten en manden. Ook de veeteelt heeft er een rituele kant, met periodes waarin jonge mannen zich met melk en pap afzonderen en vetmesten. Meer daarover staat bij tradities en gebruiken.
Bezoeken
De Logone is het gemakkelijkst te zien in de hoofdstad en bij Bongor, waar de rivier breed en druk bevaren is. De weg van N’Djamena naar Bongor is geasfalteerd en in enkele uren te rijden; verder naar het zuiden lopen de wegen door naar Laï en Moundou. Kort na het hoogwater, van november tot januari, is het landschap op zijn groenst en zijn de wegen weer begaanbaar: zie de beste reistijd. Fotograferen van bruggen en grensposten is niet toegestaan; raadpleeg voor de actuele situatie de veiligheidsinformatie.