Ligging en indeling
Logone Oriental ligt in het uiterste zuiden van Tsjaad en beslaat ongeveer 28.000 vierkante kilometer. In het westen grenst de provincie aan Logone Occidental, in het noorden aan Tandjilé, in het oosten aan Mandoul; in het zuiden loopt de landsgrens met de Centraal-Afrikaanse Republiek en in het zuidwesten met Kameroen. De hoofdplaats Doba ligt centraal in de provincie, aan de weg die Moundou met Sarh verbindt. Andere plaatsen van belang zijn Bébédjia, midden in het oliegebied, Goéré in het zuiden en Baïbokoum in de heuvels aan de zuidwestgrens.
Bij de telling van 2009 woonden er bijna 800.000 mensen; projecties komen nu op ruim een miljoen. Ook hier geldt: er is sinds 2009 geen volkstelling meer gehouden, dus elk actueel cijfer is een schatting.
Het bekken van Doba
Het Doba-bekken bestaat uit een reeks velden — Komé, Miandoum en Bolobo zijn de bekendste — die vanaf 2003 in productie kwamen. Omdat Tsjaad geen kust heeft, is de winning onlosmakelijk verbonden met een pijpleiding van ruim duizend kilometer naar de Kameroense havenplaats Kribi. De Wereldbank financierde een deel van dat project en koppelde er een wet aan die voorschreef welk deel van de olie-inkomsten naar onderwijs, gezondheidszorg en plattelandsontwikkeling moest gaan. Toen de regering die wet in 2006 versoepelde, liep de samenwerking spaak.
| Jaar | Gebeurtenis |
|---|---|
| 2000 | Wereldbank keurt financiering van veld en pijpleiding goed |
| 2003 | Eerste olie stroomt door de leiding naar Kribi |
| 2006 | Tsjaad wijzigt de wet op de besteding van de olie-inkomsten |
| 2008 | Wereldbank trekt zich uit het project terug |
| 2022–2023 | De Amerikaanse hoofdoperator verkoopt zijn belang; over de opvolging ontstaat een langdurig conflict met de Tsjadische staat |
Wat de olie de provincie zelf opleverde, is een blijvend twistpunt. Een vast percentage van de inkomsten is bestemd voor de producerende regio, en in Doba en Bébédjia zijn wegen, scholen en een ziekenhuis gebouwd. Tegelijk klagen dorpen over ingenomen akkers, vervuild water en te lage vergoedingen. De landelijke kant van dat verhaal staat beschreven bij aardolie in Tsjaad.
Duizend kilometer naar zee: geen enkele druppel Tsjadische olie verlaat het land door Tsjaad zelf. De export loopt volledig via de leiding naar Kribi in Kameroen, waar de ruwe olie op een drijvend terminalschip voor de kust wordt geladen. Sluit die leiding, dan valt een groot deel van de staatsinkomsten weg.
Savanne, regen en rivieren
Logone Oriental is de natste hoek van Tsjaad: 1.000 tot ruim 1.200 millimeter regen per jaar, van april-mei tot oktober. Het landschap is boomsavanne die naar het zuiden toe in dichter bos overgaat, met in het zuidwesten de heuvels van de Monts de Lam, het hoogste land van Zuid-Tsjaad. De Logone begint hier: de rivier ontstaat uit de samenvloeiing van de Pendé en de Mbéré, die allebei uit de hooglanden op de grens met Kameroen en de Centraal-Afrikaanse Republiek komen. Doordat de regen in deze zuidelijke hoek valt, bepaalt Logone Oriental mede hoe hoog het water maanden later duizend kilometer noordelijker in het Tsjaadmeer staat.
Sara-volken en vluchtelingen uit het zuiden
De bevolking bestaat vrijwel geheel uit Sara-groepen: Mbaye rond Doba, Ngambaye in het westen, Goulaye en Laka in andere delen. Het is een overwegend christelijke en animistische streek, met een oude katholieke aanwezigheid en een dicht net van dorpen; zie het overzicht van de etnische groepen. Sinds de jaren tien vangt het zuiden van de provincie bovendien vluchtelingen uit de Centraal-Afrikaanse Republiek op, vooral rond Goéré, waar kampen en gastgemeenschappen inmiddels tientallen jaren met elkaar optrekken.
Katoen naast olie
Ondanks de boortorens leeft de meerderheid van de landbouw: katoen als handelsgewas, daarnaast sorghum, maïs, aardnoten, cassave en sesam. Olie levert de staat geld, maar weinig werk — de sector telt slechts enkele duizenden arbeidsplaatsen. Naar het westen ligt Logone Occidental met de fabrieken van Moundou, naar het oosten Mandoul en naar het noorden Tandjilé.