Ligging tussen twee rivieren
Tandjilé ligt in het zuidwesten van Tsjaad, ingeklemd tussen de Logone in het westen en het savannegebied van het zuiden. De provincie grenst in het noorden aan Chari-Baguirmi, in het westen aan Mayo-Kebbi Est, in het zuiden aan Logone Occidental en in het oosten aan Mandoul. Met ongeveer 18.000 vierkante kilometer is het een van de kleinste provincies van het land. De naam komt van de Tandjilé, een zijrivier van de Logone die in het droge seizoen tot een reeks poelen inkrimpt.
Laï, Kélo en Béré
De provincie is opgedeeld in drie departementen, elk met een eigen centrum:
| Departement | Hoofdplaats | Kenmerkend |
|---|---|---|
| Tandjilé Est | Laï | bestuurszetel, ligging aan de Logone, rijstbouw |
| Tandjilé Ouest | Kélo | grootste plaats, katoenverwerking en handel |
| Tandjilé Centre | Béré | landbouwgebied, bekend ziekenhuis |
Laï is de hoofdplaats en ligt aan de rechteroever van de Logone, op de weg tussen Bongor en Moundou. Kélo, iets zuidelijker, is uitgegroeid tot het drukste handelscentrum van de provincie.
Regen, rivieren en een lang groeiseizoen
Tandjilé ligt in de soedanzone: hier valt met ruwweg 800 tot 1.000 millimeter per jaar bijna twee keer zoveel regen als in Centraal-Tsjaad, verdeeld over een seizoen dat van mei tot oktober loopt. Het landschap is open savanne met verspreide bomen, doorsneden door de brede overstromingsvlakte van de Logone. Als de rivier in september en oktober zwelt, komen lage delen onder water te staan; die vlakten zijn precies waar de rijst wordt geteeld. In het droge seizoen, van november tot april, waait de harmattan en verkleurt het gras.
Een dichtbevolkt platteland
Tandjilé telde bij de volkstelling van 2009 bijna 700.000 inwoners; huidige schattingen komen op circa een miljoen uit, wat neerkomt op meer dan vijftig mensen per vierkante kilometer — ver boven het landelijke gemiddelde. De bevolking bestaat vooral uit Ngambaye, Marba, Lélé, Gabri en Kabalaye, groepen die alle tot het zuidelijke, overwegend christelijke en traditioneel gelovige deel van Tsjaad behoren, met een groeiende islamitische minderheid in de handelsplaatsen. De bevolkingsdruk is voelbaar: braakperioden worden korter, akkers kleiner en jongeren trekken weg naar Moundou en de hoofdstad. Zie ook de demografie van Tsjaad.
Katoen, rijst en aardnoten
Katoen is al sinds de koloniale tijd het handelsgewas van deze streek; in Kélo staat een egreneerfabriek van het nationale katoenbedrijf, waar de oogst wordt ontpit en geperst. Daarnaast telen boeren rijst in de natte laagten, sorghum en gierst op de hogere gronden, en aardnoten en sesam voor de markt. Vrouwen winnen olie uit de noten van de karitéboom. Vee is er ook, maar minder dan in het noorden. Meer over deze sector staat bij landbouw in Tsjaad.
Doorgangsgebied van het zuiden
De verharde weg van de hoofdstad naar Moundou doorsnijdt Tandjilé, en daarmee is de provincie het scharnierpunt van het zuiden: vrachtwagens met katoen, brandstof en marktwaar rijden er dagelijks doorheen. Aan de overkant van de Logone ligt Kameroen, en over die rivier gaat een deel van de grenshandel. Ten zuidoosten begint Logone Oriental met het olieveld van Doba; verder westelijk, richting de bergen bij Pala, ligt Mayo-Kebbi Ouest.
Niet de hoofdplaats is de grootste: Kélo telt meer inwoners dan bestuurszetel Laï. De provincie heeft dus een bestuurlijk centrum en een economisch centrum op ruim vijftig kilometer van elkaar — iets wat in Tsjaad verder zelden voorkomt.