Tweehonderd groepen, geen meerderheid
Statistieken over etnische groepen komen in Tsjaad vooral uit de volkstelling van 2009 en uit latere steekproefonderzoeken; nieuwere cijfers zijn schattingen. Wat die bronnen laten zien, is een land zonder dominante groep. De grootste categorie, de Sara in het zuiden, is goed voor circa dertig procent van de bevolking, en daarna wordt het snel kleiner. Bovendien zijn veel van de gebruikte namen verzamelbegrippen: onder ‘Sara’ vallen onder meer de Ngambay, de Sar, de Mbay en de Goulaye, die zichzelf in de eerste plaats bij hun eigen naam noemen en verwante maar verschillende talen spreken.
| Groep | Aandeel (circa) | Kerngebied |
|---|---|---|
| Sara (Ngambay, Sar, Mbay e.a.) | 30% | Zuidelijke provincies |
| Tsjadische Arabieren | 12% | Sahelgordel, van het meer tot Soedan |
| Volken van Mayo-Kebbi (Toupouri, Massa, Mundang) | 11% | Zuidwesten |
| Kanembu en verwante groepen | 9% | Kanem en het Tsjaadmeer |
| Ouaddaï-groepen (o.a. Maba) | 9% | Oosten rond Abéché |
| Hadjarai | 7% | Guéra-massief |
| Toubou (Teda en Daza) | 6% | Tibesti, Borkou, Kanem |
Het zuiden: akkerbouwers aan de rivieren
In de savanne tussen Chari en Logone wonen de meeste Tsjadiërs. De Sara-groepen leven er van gierst, sorghum, aardnoten en katoen; hun gebied kreeg tijdens de koloniale tijd de bijnaam ‘nuttig Tsjaad’, omdat de Fransen er katoenteelt oplegden. Verder naar het westen, langs de Logone, wonen de Massa en de Toupouri, bekend om hun rijstbouw en visserij, en de Mundang rond Léré. Deze streek is de dichtstbevolkte van het land, zoals de cijfers bij demografie laten zien.
De Sahel: Arabieren, Kanembu en de mensen van de rotsen
Dwars door het midden van het land loopt de gordel waar veehouden bepalend is. Tsjadische Arabieren, deels nomadisch en deels gevestigd, trekken er met runderen en kamelen tussen de weiden; de omvang van die kudden komt aan de orde bij veeteelt. Rond Mao en het meer wonen de Kanembu, erfgenamen van het rijk dat vanaf de negende eeuw vanuit Kanem werd bestuurd.
In het midden van het land ligt het Guéra-massief, het gebied van de Hadjarai. Die naam is geen zelfbenaming maar Arabisch voor ‘mensen van de rotsen’: het is een verzamelnaam voor een reeks groepen, zoals de Dangaléat en de Kenga, die zich in de bergen terugtrokken toen de vlakte onveilig werd door slavenrazzia’s. Zij spreken onderling verschillende talen en delen vooral een geschiedenis van toevlucht in Guéra.
De woestijn: Toubou en Zaghawa
Het noorden is dunbevolkt maar herbergt gemeenschappen met een sterk eigen profiel. De Toubou — de Teda in het Tibesti-gebergte en de Daza in Borkou en Kanem — leven van kamelen, dadelpalmen en handel over de woestijnroutes; hun naam betekent zoveel als ‘mensen van Tou’, het gebergte zelf. In het oosten, aan de Soedanese grens, wonen de Zaghawa, die zichzelf Beri noemen en aan weerszijden van de grens leven.
Namen, categorieën en gewicht
Etnische indelingen zijn in Tsjaad geen neutrale beschrijving. Regionale afkomst speelde een rol in de opeenvolgende conflicten sinds de onafhankelijkheid, en de herkomst van machthebbers is een terugkerend thema in het publieke debat, bijvoorbeeld rond de periode van Idriss Déby. Tegelijk relativeert het dagelijks leven de categorieën: in de steden zijn gemengde huwelijken gewoon, iedereen schakelt over op het Tsjadisch Arabisch of het Frans, en religieuze scheidslijnen lopen niet gelijk met etnische, zoals blijkt bij de religieuze verdeling.
Vee dat zwemt: de Boudouma op de eilanden in het Tsjaadmeer houden kouri-runderen, een ras met enorme, van binnen holle hoorns. Die hoorns geven zoveel drijfvermogen dat de dieren zwemmend van eiland naar eiland kunnen worden gedreven om te grazen — een veehouderij die nergens anders ter wereld op deze manier bestaat.