Van vondst tot eerste vat
Amerikaanse maatschappijen vonden al in de jaren zestig en zeventig olie in het zuiden van Tsjaad, maar oorlog en staatsgrepen hielden de winning decennialang tegen. Pas eind jaren negentig kwam een consortium onder leiding van Esso, met Petronas en Chevron, tot een besluit. In het Doba-bekken bij de stad Doba, in de provincie Logone-Oriental, werden de velden Komé, Miandoum en Bolobo ontwikkeld. In juli 2003 verliet het eerste vat Tsjadische olie het land, door een ondergrondse pijpleiding naar de Kameroense kust bij Kribi, waar het aan boord gaat van een drijvend opslagschip.
De Wereldbank en de wet op de olie-inkomsten
Omdat de Wereldbank meefinancierde, kreeg het project een ongebruikelijke voorwaarde: een wet uit 1999 legde vast dat het leeuwendeel van de olie-inkomsten naar onderwijs, gezondheidszorg, landbouw en infrastructuur moest gaan, met een deel opzij voor een fonds voor toekomstige generaties, en een onafhankelijk college dat de uitgaven controleerde. Het model gold internationaal als proef. In 2005 en 2006 wijzigde de regering van Idriss Déby de wet: veiligheid werd een prioritaire sector en het toekomstfonds verdween. Er volgde een openlijk conflict met de Wereldbank, die haar leningen tijdelijk bevroor; in 2008 betaalde Tsjaad die vervroegd af en trok de bank zich uit het project terug.
Productie, prijzen en de staatskas
De productie piekte halverwege de jaren 2000 rond 160.000 tot 170.000 vaten per dag en zakte daarna geleidelijk terug tot ruwweg 110.000 à 130.000 vaten (schattingen, jaren 2020). Olie is sindsdien goed voor het overgrote deel van de exportopbrengsten en voor een groot deel van de staatsinkomsten. Dat maakt de begroting even afhankelijk van de wereldmarktprijs als een boer van de regen: toen de olieprijs in 2014 en 2015 instortte, moest de regering ambtenarensalarissen uitstellen, kwam er een steunprogramma van het Internationaal Monetair Fonds en moest een dure lening bij een grondstoffenhandelaar worden geherstructureerd. De opbrengsten komen bovendien in dollars binnen terwijl het land in CFA-frank betaalt, zie de CFA-frank.
Een tweede bekken en een eigen raffinaderij
Naast Doba ontwikkelde het Chinese staatsbedrijf CNPC het Bongor-bekken bij Ronier. Die olie gaat niet naar zee maar via een korte leiding naar de raffinaderij bij Djermaya, ten noorden van N’Djamena, die in 2011 opende. Voor het eerst kon Tsjaad zijn eigen benzine en diesel maken in plaats van alles per vrachtwagen uit Kameroen te halen. De start verliep stroef: een conflict tussen de regering en de Chinese exploitant over de pompprijs legde de fabriek kort na de opening tijdelijk stil. In 2023 nam de staat de Tsjadische bezittingen van Esso over nadat een verkoop aan een kleinere maatschappij tot een juridische ruzie had geleid.
Wat de olie niet bracht
Tsjaad hoort ondanks twee decennia olie-export nog steeds bij de armste landen ter wereld. De winning is een eiland in de economie: ze levert weinig banen op, koopt weinig lokaal in en ligt geconcentreerd in een klein deel van het zuiden, terwijl de meeste TsjadiĆ«rs leven van landbouw en vee. Rond Doba speelden jarenlang geschillen over vergoedingen voor onteigende akkers en over vervuiling. Voor de rest van de economie geldt de olie vooral als een bron van deviezen die de handelsbalans in één klap kan doen omslaan, en als financiering voor wegen en elektriciteit die het land hard nodig heeft, zie infrastructuur.
De pijpleiding ligt vooral in Kameroen: van de circa 1.070 kilometer tussen de velden en de kust loopt maar een klein deel over Tsjadisch grondgebied — het overgrote deel ligt in Kameroen. Tsjaad betaalt zijn buurland daarom doorvoerrechten voor elke verscheepte lading olie, en is voor zijn belangrijkste inkomstenbron afhankelijk van de politieke rust in een ander land.