11 augustus 1960
Op 11 augustus 1960 werd de Republiek Tsjaad onafhankelijk van Frankrijk. De plechtigheid vond plaats in Fort-Lamy, dat pas in 1973 N’Djamena zou gaan heten. De blauw-goud-rode vlag was al op 6 november 1959 aangenomen en bleef ongewijzigd. Het land erfde van de koloniale tijd een bestuursapparaat met nauwelijks geschoold personeel, enkele honderden kilometers verharde weg en een economie die vrijwel volledig op katoen leunde.
Tombalbaye en de PPT
François Tombalbaye, onderwijzer en vakbondsman uit het zuiden, leidde de regering al sinds 1959 namens de Parti Progressiste Tchadien en werd het eerste staatshoofd. Zijn machtsbasis lag bij de Sara en verwante volken van de zuidelijke katoenstreek, die onder Frans bestuur als enige toegang hadden gekregen tot scholen en ambtenarenbanen. Medeoprichter Gabriel Lisette, geboren in het Caribisch gebied, werd in 1960 tijdens een buitenlandse reis buitenspel gezet en mocht niet terugkeren. De verdeling van banen en belastingopbrengsten langs regionale lijnen voedde vanaf het begin wrok in het noorden en oosten, waar andere etnische groepen en de moslimmeerderheid zich achtergesteld voelden.
Van meerpartijenstelsel naar één partij
In januari 1962 verbood Tombalbaye alle partijen behalve de zijne. Een nieuwe grondwet gaf hem als president vergaande bevoegdheden. In september 1963 sloeg het leger protesten in de hoofdstad neer en werden vooraanstaande noordelijke en oostelijke politici opgepakt; daarbij vielen doden en werd de noodtoestand afgekondigd. Traditionele gezagsdragers, onder wie sultans en kantonchefs, verloren bevoegdheden aan partijfunctionarissen uit het zuiden. Ook de verhouding met de islamitische geestelijkheid verslechterde.
De eerste barsten: Mangalmé 1965
Op 1 november 1965 liep in Mangalmé, in de provincie Guéra, een protest tegen een verhoogde hoofdelijke belasting uit op een bloedbad; er vielen honderden doden onder boeren en ambtenaren. Vergelijkbare opstanden volgden elders in het midden en oosten. Op 22 juni 1966 richtten ballingen in het Soedanese Nyala het Front de Libération Nationale du Tchad (FROLINAT) op, dat de gewapende strijd tegen de regering begon. Daarmee was de burgeroorlog begonnen die het land een kwart eeuw zou tekenen. In 1968 riep Tombalbaye Franse troepen te hulp; in 1973 bezette Libië de Aozou-strook in het uiterste noorden.
Authenticiteit en de val (1973–1975)
Vanaf 1973 lanceerde Tombalbaye een campagne van culturele ‘authenticiteit’. Franse plaatsnamen verdwenen — Fort-Lamy werd N’Djamena — en hij noemde zichzelf voortaan Ngarta. Ambtenaren, ook christenen en moslims, werden gedwongen de yondo-initiatieriten van de Sara te ondergaan, wat tot verzet en vervolgingen leidde. De onvrede in het leger groeide. Op 13 april 1975 kwam Tombalbaye om bij een staatsgreep; een militaire raad onder generaal Félix Malloum nam de macht over.
Ouderdomsrecord: de vlag uit 1959 is het enige staatssymbool dat elke omwenteling sinds 1960 heeft overleefd. Grondwetten wisselden ruim een half dozijn keer, maar de driekleur werd nooit aangepast — ook het volkslied uit 1960 bleef ongewijzigd.
Wat er vandaag nog van te zien is
Elf augustus is nationale feestdag, met een militaire parade in de hoofdstad en ceremonies in elke provinciehoofdplaats; zie feestdagen in Tsjaad. De naam N’Djamena en tal van straatnamen dateren uit de authenticiteitscampagne. Sterker nog werkt de politieke erfenis door: de eenpartijreflex, het gebruik van het staatsapparaat als verdeler van baantjes, en vooral de breuklijn tussen het zuiden en het noorden en oosten. Elk conflict sinds 1965 heeft zich langs die lijn georganiseerd, van FROLINAT tot de rebellenbewegingen van deze eeuw.