De verovering (1900)
Eind negentiende eeuw stuurde Frankrijk drie militaire colonnes naar het Tsjaadmeergebied: een vanuit Algerije, een vanuit West-Afrika en een vanuit de Congo onder Émile Gentil. Ze kwamen samen bij Kousséri, waar op 22 april 1900 de krijgsheer Rabih az-Zubayr werd verslagen en gedood. Ook de Franse bevelhebber Amédée-François Lamy sneuvelde. Naar hem werd de op 29 mei 1900 gestichte militaire post Fort-Lamy genoemd, het latere N’Djamena. Het gebied werd een militair territorium; met het verdwijnen van Rabih eindigde ook de politieke nalatenschap van Kanem-Bornu.
Een verwaarloosde kolonie
In 1910 kwam Tsjaad bij de federatie Frans-Equatoriaal-Afrika, samen met Gabon, Midden-Congo en Oubangui-Chari; in 1920 werd het een aparte kolonie. Het bestuur bleef dun. Het oostelijke sultanaat Ouaddaï verzette zich tot ver na de val van Abéché in 1909, en het bergland van Tibesti kreeg Frankrijk pas in de jaren dertig onder controle; Tibesti werd in 1930 administratief van Niger naar Tsjaad overgeheveld. Parijs zag het noorden en het midden als militair doorgangsgebied en beschouwde alleen het katoenrijke zuiden als lonend: het Tchad utile, het nuttige Tsjaad. Scholen, wegen en ziekenhuizen kwamen vrijwel uitsluitend daar.
Katoen, belasting en dwangarbeid
Vanaf 1928 werden boeren in het zuiden verplicht katoen te verbouwen voor de vennootschap Cotonfran, die als enige mocht opkopen en de prijs bepaalde. Wie weigerde, riskeerde stokslagen of gevangenis. Daarbovenop kwamen de hoofdelijke belasting en het indigénat, een apart strafrecht voor koloniale onderdanen. Mannen werden geronseld voor werk elders in de federatie, onder meer voor de spoorlijn Congo-Océan (1921–1934), die duizenden Afrikaanse arbeiders het leven kostte. Moundou groeide in deze jaren uit tot het centrum van de katoenverwerking en daarmee tot de industriële tegenpool van de hoofdstad; katoen bleef decennialang de ruggengraat van de Tsjadische landbouw.
Tsjaad en het Vrije Frankrijk (1940–1943)
Op 26 augustus 1940 sloot Tsjaad zich als eerste Franse kolonie aan bij De Gaulle. Gouverneur Félix Éboué, geboren in Frans-Guyana, gaf daarmee het startsein voor de rest van Frans-Equatoriaal-Afrika. Vanuit Tsjaad trok kolonel Leclerc in maart 1941 door de Sahara naar de Libische oase Koefra, waar zijn manschappen zwoeren pas te rusten als ook Straatsburg bevrijd zou zijn. In 1942 en 1943 volgden de veldtochten naar Fezzan. Voor de kolonie betekende de oorlog opnieuw zware lasten: extra belastingen, gedwongen leveringen en rekrutering.
De weg naar zelfbestuur (1946–1960)
Na 1946 werd Tsjaad overzees gebied van de Franse Unie, verdwenen het indigénat en de dwangarbeid en mochten Tsjadiërs afgevaardigden naar Parijs sturen. Gabriel Lisette richtte in 1947 de Parti Progressiste Tchadien op, die vooral in het zuiden aanhang kreeg. De kaderwet van 1956 gaf het gebied een eigen regering; in het referendum van 28 september 1958 koos Tsjaad voor autonomie binnen de Franse Gemeenschap, en op 28 november 1958 werd de republiek uitgeroepen. Op 11 augustus 1960 volgde de onafhankelijkheid.
Grens uit een pennenstreek: de Aozou-strook langs de Libische grens berust op een Frans-Italiaans verdrag uit 1935 dat nooit door beide parlementen werd bekrachtigd. Libië beriep zich er in 1973 op om het gebied te bezetten; pas in 1994 wees het Internationaal Gerechtshof het definitief aan Tsjaad toe.
Wat er vandaag nog van te zien is
De koloniale erfenis is in Tsjaad geen museumstuk. De landsgrenzen, de provinciale indeling en de administratieve taal komen er rechtstreeks uit voort: het Frans is nog altijd een van de twee officiële talen, naast het Arabisch, en beheerst het onderwijs en de rechtspraak — zie talen in Tsjaad. Het rasterpatroon van de oude wijken van N’Djamena stamt uit de tijd van Fort-Lamy, een naam die de stad tot 1973 droeg. De katoensector leeft voort in het staatsbedrijf Cotontchad. En de koloniale keuze om alleen het zuiden te ontwikkelen ligt aan de basis van de noord-zuidtegenstelling die de politiek van het onafhankelijke Tsjaad zou beheersen.