Van belastingoproer tot FROLINAT (1965–1969)
Het conflict begon op 1 november 1965 in Mangalmé in Guéra, waar boeren in opstand kwamen tegen een verhoogde hoofdelijke belasting. Op 22 juni 1966 bundelden ballingen zich in het Soedanese Nyala in het FROLINAT, een front dat het noorden en oosten vertegenwoordigde tegen de zuidelijk gedomineerde regering van François Tombalbaye. Oprichter Ibrahima Abatcha sneuvelde al in 1968. De opstand verspreidde zich over het hele midden en noorden van het land. In 1968 stuurde Frankrijk op verzoek van Tombalbaye troepen; de Franse interventie duurde tot 1972 en versloeg de rebellen militair zonder de oorzaken weg te nemen.
Libië stapt in (1971–1978)
Vanaf 1971 verslechterden de betrekkingen met Libië, dat het FROLINAT ging bewapenen. In 1973 bezette Libië de Aozou-strook langs de noordgrens, een gebied van circa 114.000 vierkante kilometer waar men bodemschatten vermoedde. Het FROLINAT viel intussen uiteen in facties, waarvan de belangrijkste werden geleid door Goukouni Oueddei en Hissène Habré — beiden Toubou uit Tibesti. Na de staatsgreep van 13 april 1975 probeerde generaal Félix Malloum de rebellen erbij te halen: Habré werd in 1978 premier, maar brak binnen een jaar met hem.
De slag om N’Djamena (1979–1982)
In februari 1979 gingen de milities van Habré en het regeringsleger elkaar in N’Djamena te lijf; duizenden inwoners kwamen om of vluchtten, en de stad raakte zwaar beschadigd. Onder Afrikaanse bemiddeling ontstond in augustus 1979 in Lagos een overgangsregering (GUNT) onder Goukouni, waarin bijna alle facties zaten. Die viel in 1980 uiteen in nieuwe gevechten. Libische troepen kwamen Goukouni te hulp en verdreven Habré in december 1980 uit de hoofdstad. Toen beide landen in januari 1981 een fusie aankondigden, keerde de Afrikaanse en westerse diplomatie zich tegen Tripoli; eind 1981 trokken de Libiërs zich terug. Op 7 juni 1982 nam Hissène Habré N’Djamena in.
Franse operaties en de Toyota-oorlog (1983–1987)
In 1983 heroverden Libische en GUNT-eenheden Faya-Largeau. Frankrijk antwoordde met operatie Manta en trok een ‘rode lijn’ die het land in tweeën deelde; in 1986 volgde operatie Épervier, waarmee Franse gevechtsvliegtuigen permanent in N’Djamena gestationeerd raakten. In 1986 verzoende Goukouni zich met de regering, en tussen december 1986 en september 1987 verdreef het Tsjadische leger de Libiërs uit het noorden. Die veldtocht kreeg de bijnaam Toyota-oorlog, naar de terreinwagens met daarop machinegeweren en antitankraketten waarmee lichte eenheden zich door de Sahara verplaatsten en pantsercolonnes uitschakelden. De luchtmachtbasis Ouadi Doum viel in maart 1987; in september kwam een staakt-het-vuren tot stand.
Aozou, Den Haag en 1990
Het slot kwam van twee kanten. Op 1 december 1990 trok Idriss Déby, voormalig stafchef van Habré, met een rebellenleger vanuit Soedan N’Djamena binnen; Habré vluchtte naar Senegal. En op 3 februari 1994 wees het Internationaal Gerechtshof in Den Haag de Aozou-strook toe aan Tsjaad. Libië trok zich in mei 1994 terug, waarmee het grensconflict na ruim twintig jaar was beslecht.
Explosieve nalatenschap: Tsjaad behoort tot de zwaarst met mijnen en niet-ontplofte munitie besmette landen ter wereld, vooral in Borkou, Ennedi en Tibesti. Ontmijningsploegen zijn er nog altijd bezig; wie het noorden bezoekt, moet zich houden aan gebaande wegen — zie veiligheid in Tsjaad.
Wat er vandaag nog van te zien is
In de woestijn rond Ouadi Doum en Faya-Largeau liggen nog wrakken van Libische tanks, vliegtuigen en vrachtwagens; sommige zijn ter plaatse blijven staan, andere zijn als schroot afgevoerd. De mijnenvelden uit die jaren beperken tot vandaag het gebruik van weidegronden in Borkou. In N’Djamena herinneren herbouwde wijken en een groot militair kerkhof aan de gevechten van 1979 en 1980. Politiek is de erfenis het duidelijkst: het model waarin een gewapende beweging vanuit het noordoosten de macht grijpt, is sinds 1979 drie keer herhaald, en het leger bleef de belangrijkste institutie van de staat.