De zuidoostelijke hoek van het land
Salamat ligt op de overgang van de sahel naar de savanne, in het uiterste zuidoosten van Tsjaad. In het westen grenst de provincie aan Guéra, in het zuidwesten aan Moyen-Chari en in het noorden aan Batha; in het zuiden vormt de landsgrens met de Centraal-Afrikaanse Republiek de rand van de provincie. Met ongeveer 63.000 vierkante kilometer is Salamat ruim anderhalf keer zo groot als Nederland. Er wonen naar schatting rond de 450.000 mensen: de volkstelling van 2009 — de laatste die is gehouden — kwam uit op ruim 300.000, en latere cijfers zijn projecties, geen tellingen. Buiten de hoofdplaats en een handvol marktdorpen bestaat Salamat uit lange, vrijwel lege vlakten.
Am Timan aan de Bahr Azoum
Hoofdplaats Am Timan ligt aan de Bahr Azoum, een seizoensrivier die maandenlang droogvalt en in augustus buiten haar oevers treedt. De stad was het machtscentrum van het sultanaat Dar Runga, dat hier tot in de negentiende eeuw handel dreef met de sultanaten verder noordelijk. Tegenwoordig is Am Timan vooral bestuurscentrum, veemarkt en vertrekpunt voor bezoekers van Zakouma. Het inwonertal wordt geschat op enkele tienduizenden; harde recente cijfers ontbreken.
Een vlakte die jaarlijks onderloopt
Salamat is uitzonderlijk vlak, en dat bepaalt alles. Tussen juni en oktober valt hier meer regen dan in de meeste andere provincies van de Tsjadische sahel — grofweg 600 tot 900 millimeter per jaar. Het water uit de Bahr Azoum en de Bahr Salamat verspreidt zich dan over kilometersbrede vlakten die pas in november weer droogvallen. Onverharde wegen veranderen in modderbanen en hele departementen zijn een half jaar lang alleen per vliegtuig of te voet bereikbaar; ook nationaal park Zakouma is in die maanden dicht. In de droge tijd loopt het kwik op tot boven de veertig graden en verdwijnen de plassen op de kleivlakten één voor één. Wie de provincie wil zien, komt tussen december en april; zie de beste reistijd.
Rounga, Arabieren en een dozijn kleinere volken
De Rounga zijn het naamgevende volk van het oude sultanaat en wonen vooral rond Am Timan. Daarnaast leven er Arabisch sprekende veehoudersgroepen, Dadjo, Maba en — in het zuiden, richting de rivieren — Sara-groepen die van akkerbouw leven. Islam overheerst, maar in de zuidelijke dorpen komen christelijke en traditionele gebruiken voor. Die menging van herders en boeren maakt Salamat ook kwetsbaar: om waterputten en oogsten ontstaan regelmatig conflicten tussen veehouders en akkerbouwers. Meer achtergrond staat bij de etnische groepen van Tsjaad.
Vee, vis en gierst
De economie draait op drie dingen. Ten eerste vee: Salamat is een eindpunt van de jaarlijkse trek van kuddes uit het noorden, die hier in het droge seizoen weidegrond en water vinden — zie veeteelt in Tsjaad. Ten tweede vis: de overstromingsvlakten en restpoelen leveren zoveel vis dat gedroogde en gerookte vis uit Salamat op markten tot in de hoofdstad wordt verkocht. Ten derde akkerbouw: gierst, sorghum, sesam en aardnoten, aangevuld met gom arabicum die uit de acaciabossen wordt getapt. Industrie is er niet, en de slechte verbindingen maken elke export duur.
Zakouma als uithangbord
Het grootste deel van nationaal park Zakouma ligt in Salamat. Het park werd in 1963 ingesteld en wordt sinds 2010 samen met een particuliere natuurorganisatie beheerd; de olifantenpopulatie, die door stroperij bijna verdween, groeit sindsdien weer. Voor de provincie is dat het enige noemenswaardige toerisme, met werk voor gidsen, wachters en chauffeurs. Wie verder oostwaarts reist komt in Sila, de grensprovincie met Soedan; noordoostelijk ligt Ouaddaï met de oude karavaanstad Abéché.
Landbouw op de modder: als het water zich in oktober terugtrekt, planten boeren in Salamat sorghum rechtstreeks in de natte klei. Dit gewas, berbéré genoemd, groeit verder op het vocht dat in de bodem is achtergebleven en wordt midden in het droge seizoen geoogst — zonder dat er daarna nog een druppel regen valt.