Ligging aan de oostgrens
Ouaddaï ligt in het oosten van Tsjaad, met de landsgrens met Soedan als oostelijke begrenzing. In het noorden grenst de provincie aan Wadi Fira, in het westen aan Batha en in het zuiden aan Sila. Hoofdplaats is Abéché, de vierde stad van het land. De belangrijkste grensplaats is Adré, ongeveer 120 kilometer ten oosten van Abéché en al generaties lang de doorlaatpost tussen Tsjaad en Darfoer.
Bij de volkstelling van 2009 telde de provincie ruim 700.000 inwoners; projecties komen inmiddels op ruim een miljoen. Daarbij komen sinds april 2023 honderdduizenden mensen die de oorlog in Soedan ontvluchtten. Volgens schattingen van hulporganisaties ving Tsjaad in de jaren daarna in totaal ruim een miljoen vluchtelingen en teruggekeerde Tsjadiërs op, waarvan het grootste deel in het oosten. Exacte cijfers ontbreken; alles wat u leest, is een schatting.
Wadai: een sultanaat met een lange arm
Het sultanaat Wadai ontstond in de zeventiende eeuw, toen een islamitische dynastie de heersende Tunjur verdreef. Het rijk groeide uit tot een van de machtigste staten van de regio, met een leger van ruiters, een eigen hofcultuur en belastingheffing over de handel. De eerste hoofdstad was Ouara, ten noorden van het huidige Abéché; rond het midden van de negentiende eeuw verplaatste de sultan zijn zetel naar Abéché. Wadai dreef in die eeuw handel over de route naar Benghazi, dwars door de Sahara, in nauwe samenwerking met de Senoussi-broederschap uit Libië. Frankrijk nam Abéché in 1909 in; wat er van het sultanaat overbleef, kreeg onder de koloniale tijd een ceremoniële rol die tot vandaag voortbestaat.
De ruïnes van Ouara: van de eerste hoofdstad, enkele tientallen kilometers ten noorden van Abéché, staan nog muurresten van het paleis en de vrijdagmoskee overeind, opgetrokken uit gebakken steen. Het is een van de weinige archeologische stadssites van Tsjaad en staat op de voorlopige lijst voor UNESCO-werelderfgoed.
Graniet, wadi’s en weinig regen
Ouaddaï hoort tot de Sahel, met 300 tot 500 millimeter regen tussen juni en september. Het reliëf onderscheidt de provincie van de omliggende vlakten: het Ouaddaï-massief bestaat uit granietkoppen en tafelbergen die enkele honderden meters boven het omringende land uitsteken en die de aanloop vormen naar het hoogland van Darfoer. Rivieren zijn er niet; wel wadi’s, brede zandbeddingen die enkele dagen per jaar water voeren en de rest van het jaar dienen als weg, weide en waterput. Wie in het zand van zo’n wadi graaft, stuit vaak binnen een meter op water, en juist die ondergrondse voorraad maakt tuinbouw in het droge seizoen mogelijk.
Maba, Arabieren en Zaghawa
De grootste bevolkingsgroep zijn de Maba, van oudsher de dragers van het sultanaat, met een eigen taal die in het oosten breed als omgangstaal dient. Daarnaast wonen er arabischsprekende groepen, Zaghawa, Tama en Mimi, en in de steden handelaren uit het hele land; het geheel staat beschreven bij de etnische groepen van Tsjaad. De provincie is vrijwel volledig islamitisch, met koranscholen in vrijwel elk dorp en een sterke soefitraditie — een contrast met het overwegend christelijke zuiden dat terugkomt in het overzicht van religie in Tsjaad.
Vee, gom en grenshandel
De economie leunt op veeteelt: runderen, schapen, geiten en kamelen, die traditioneel over de grens naar Soedan en verder naar Egypte werden verkocht. Op de akkers groeien gierst, sorghum en aardnoten, in de wadi’s tomaten, uiën en okra. Uit de acacia’s wint men arabische gom, een van de weinige exportproducten van Tsjaad naast olie en vee. Abéché is het handelsknooppunt van dat alles: markten, opslag, een luchthaven en de basis van vrijwel elke hulporganisatie in Oost-Tsjaad. Sinds de oorlog in Soedan is de grens bij Adré van handelsroute veranderd in humanitaire corridor, wat de handel in de hele provincie op zijn kop heeft gezet.
Rondom liggen Wadi Fira in het noorden, Batha in het westen en Sila in het zuiden.