Een jonge provincie met een oude naam
Sila bestaat pas sinds 2008 als zelfstandige provincie; daarvoor was het een deel van Ouaddaï, dat nog altijd de noordelijke buur is. In het zuidwesten grenst Sila aan Salamat, in het oosten aan de Soedanese deelstaat West-Darfur. De naam is veel ouder dan de provincie: Dar Sila, het land van Sila, is de historische aanduiding voor het gebied van de Dadjo, met een sultan die tot op vandaag in Goz Beïda zetelt. De oppervlakte bedraagt ruwweg 35.000 vierkante kilometer.
Goz Beïda als middelpunt
Goz Beïda is een stoffige, laaggebouwde plaats aan de voet van een reeks rotsheuvels, met een markt, een ziekenhuis en de kantoren van tientallen hulporganisaties. Het is geen stad van formaat: schattingen komen op enkele tienduizenden inwoners uit. De tweede plaats van betekenis is Koukou Angarana, verder naar het zuiden. Wie hier komt, reist meestal over de weg vanuit Abéché; een reis die in het regenseizoen dagen kan duren en soms helemaal onmogelijk is.
Zandruggen, wadi’s en één regenseizoen
Het landschap van Sila is sahel: doornstruwelen, acacia’s, brede zandruggen en daartussen wadi’s die alleen na een bui water voeren. De regen valt tussen juni en september en bedraagt zo’n 400 tot 600 millimeter, met van jaar tot jaar grote verschillen. In de zuidelijke departementen staan meer bomen en is de grond vruchtbaarder; naar het noorden toe wordt het droger en gaat het land over in weidegebied voor kamelen en runderen. In de wadi’s wordt na de regen doorgeteeld op restvocht — uien, tomaten en okra in kleine, met takken omheinde tuinen.
Dadjo, Masalit en Arabische herders
De Dadjo vormen de grootste groep en zijn sedentaire akkerbouwers; ze delen de provincie met Masalit, Mouro, Zaghawa en Arabisch sprekende veehouders die met hun kuddes rondtrekken. Vrijwel iedereen is moslim. De bevolking wordt geschat op circa 450.000 mensen; de telling van 2009 gaf bijna 290.000 en alle latere getallen zijn ramingen, mede omdat de bevolking door vluchtelingen en terugkeerders sterk schommelt. Achtergrond over deze volken staat bij etnische groepen.
Twintig jaar vluchtelingen
Sinds het uitbreken van het conflict in Darfur in 2003 vangt Sila Soedanese vluchtelingen op; in kampen bij Goz Beïda en Koukou wonen inmiddels mensen die er zijn geboren. Tussen 2006 en 2010 raakte de provincie zelf ontwricht door gewapende bendes en werden tienduizenden Tsjadiërs uit hun dorpen verdreven; een tijdlang was hier een Europese en later een VN-vredesmacht gestationeerd. Toen in 2023 in Soedan opnieuw oorlog uitbrak, kwam er een nieuwe stroom op gang. Voor bezoekers geldt Oost-Tsjaad daardoor als een gebied waarvoor westerse overheden een streng reisadvies hanteren; kijk altijd bij veiligheid in Tsjaad en raadpleeg de officiële instanties.
Waar Sila van leeft
De economie is grotendeels landbouw voor eigen gebruik: gierst, sorghum en aardnoten, aangevuld met vee. Handel over de grens met Darfur was eeuwenlang een bron van inkomsten en gaat, ondanks alle onrust, deels door. Daarnaast zijn de hulporganisaties zelf een werkgever van betekenis geworden. De verbindingen zijn beroerd: geen asfalt van betekenis, geen elektriciteitsnet buiten de hoofdplaats, en in de regentijd nauwelijks aanvoer. Meer over die achterstand staat bij infrastructuur. Vanuit Sila loopt de weg noordwaarts naar Ouaddaï en zuidwestwaarts naar Salamat, met daarachter Guéra en het centrum van het land.
Wat de naam zegt: goz is het Arabische woord voor zandduin of zandrug, het bodemtype dat in deze streek overheerst. Goz Beïda betekent letterlijk witte zandduin — een treffende naam voor een plaats die op lichtgekleurd, los zand is gebouwd waarin auto’s regelmatig vastlopen.