De boubou en de gandoura
Het bekendste mannenkledingstuk is de boubou: een zeer wijd, tot op de enkels vallend gewaad zonder mouwen of met korte mouwen, gedragen over een lange broek en een hemd. Rond de halsopening en op de borstzak zit vaak borduurwerk, machinaal voor dagelijks gebruik, met de hand voor een dure uitvoering. Wit en lichtblauw zijn gangbaar voor het vrijdaggebed; bij bruiloften en officiële plechtigheden verschijnen zwaardere stoffen in dieper kleuren. Eenvoudiger en veel gedragen is de gandoura, een wijd hemdgewaad zonder de theatrale plooival van de boubou.
De snit is functioneel. In een klimaat waar de thermometer maandenlang boven de veertig graden staat, houdt de luchtstroom onder een wijd gewaad het lichaam koeler dan strakke kleding. Bij plechtigheden op de nationale feestdagen is de boubou dan ook net zo gebruikelijk bij ambtenaren als het pak.
De tulband van woestijn en Sahel
In het noorden en in de Sahel dragen mannen een lange doek van enkele meters om hoofd en hals, die bij zandstormen of felle zon over mond en neus wordt getrokken. Bij de Toubou van Tibesti en de Zaghawa in het oosten hoort die doek zozeer bij de volwassen mannendracht dat een onbedekt hoofd in het openbaar als slordig geldt. Herders combineren hem met een wijd gewaad, een leren riem met mes en soms een stok of zweep. De volken achter deze verschillen staan beschreven bij etnische groepen.
Wat vrouwen dragen
De basis van de vrouwendracht is de pagne: een rechthoekige lap bedrukte katoen die om de heupen wordt gewikkeld, meestal met een bijpassend bovenstuk en hoofddoek van dezelfde stof. In het noorden en de Sahel komt daar een lange, dunne omslagdoek bij die over hoofd en schouders wordt gedrapeerd en met één hand wordt vastgehouden. In het zuiden zijn getailleerde jurken van dezelfde bedrukte stof gebruikelijker.
Sieraden vullen het beeld aan: zilveren armbanden en oorringen, kralen van barnsteenkleurig hars en, bij verschillende noordelijke groepen, ingevlochten kapsels die dagen werk kosten en enkele weken meegaan. Bij bruiloften krijgt de bruid vaak een complete uitzet aan stoffen, waarbij de familie van de bruidegom meebetaalt; die gebruiken staan beschreven bij tradities en gebruiken.
Stof, kleermakers en tweedehands
Bijna niemand koopt kant-en-klare kleding voor een feest. Men koopt stof op de markt, per lap van enkele meters, en brengt die naar een kleermaker die op een trapnaaimachine langs de straat werkt. Een model wordt aangewezen op een foto of afgekeken van een voorbijganger; binnen enkele dagen ligt het kledingstuk klaar. Op de markten van Abéché en de hoofdstad liggen daarnaast bergen tweedehands kleding uit Europa en de Golfstaten, die het dagelijkse straatbeeld sterk hebben veranderd: voetbalshirts, jeans en T-shirts zijn onder jongeren minstens zo gewoon als traditionele dracht.
Wat een bezoeker draagt
Voor reizigers gelden geen kledingvoorschriften bij wet, maar wel duidelijke omgangsnormen. Bedekte schouders en knieën zijn overal een veilige keuze, in het islamitische noorden meer nog dan in het zuiden; korte broeken zijn bij volwassen mannen ongebruikelijk buiten sportvelden. Voor vrouwen volstaat een losse lange broek of rok met een shirt met mouwen; een sjaal in de tas is handig bij bezoek aan een moskee. Aanvullende aanwijzingen staan bij wetten en gebruiken en in de inpaklijst, die ook rekening houdt met koude woestijnnachten.
Katoenland zonder stof: Tsjaad is een katoenproducent van formaat — in het zuiden rond Moundou leven honderdduizenden gezinnen van het gewas — maar vrijwel alle katoen verlaat het land als ruwe vezel. De bedrukte stof waar de boubou van wordt gemaakt, komt daarna weer ingevoerd terug uit Nigeria, Azië en Europa.