Hoe het systeem is opgebouwd
De structuur volgt het Franse model: zes jaar basisschool, vier jaar collège en drie jaar lycée, afgesloten met het baccalauréat dat toegang geeft tot het hoger onderwijs. Daarnaast bestaat een Arabischtalige stroom met dezelfde niveaus, en zijn er duizenden koranscholen waar kinderen in de eerste plaats leren reciteren. Onderwijs is formeel verplicht in de basisschoolleeftijd en op papier kosteloos, maar ouders betalen in de praktijk voor inschrijving, schriften, uniform en vaak voor de leerkracht zelf.
De taalkwestie werkt overal door. Een kind dat thuis Ngambay, Dazaga of Maba spreekt, krijgt les in het Frans of het Arabisch en moet dus eerst een vreemde taal leren voordat het kan leren lezen — een van de redenen waarom veel leerlingen de eerste jaren doubleren of afhaken. De achtergrond daarvan staat bij talen in Tsjaad.
Wie er wel en niet naar school gaat
Naar schatting kan iets meer dan een kwart van de volwassenen lezen en schrijven, een van de laagste percentages ter wereld; onder vrouwen ligt het cijfer nog aanzienlijk lager. Van de kinderen begint een ruime meerderheid aan de basisschool, maar een groot deel maakt die niet af. Meisjes vallen vaker en eerder uit, onder meer door huwelijken op jonge leeftijd en door huishoudelijke taken. In herdersgemeenschappen die met het vee meetrekken botst het schooljaar bovendien met de seizoenstrek; er bestaan mobiele scholen en internaten om dat op te vangen, maar op beperkte schaal.
De school zelf
Een aanzienlijk deel van de lessen vindt plaats in noodlokalen: een dak van stro en palen op vier stokken, een schoolbord tegen een boom, leerlingen op de grond of op zelfmeegebrachte bankjes. Klassen van zestig tot honderd kinderen zijn in stedelijke wijken geen uitzondering, en schoolboeken worden gedeeld. Een groot deel van de leerkrachten bestaat uit zogeheten gemeenschapsonderwijzers: mensen zonder volledige lerarenopleiding die door het oudercomité worden aangetrokken en betaald, soms in geld, soms in graan na de oogst. Zonder hen zouden veel dorpsscholen dicht zijn; tegelijk verklaart het mede de wisselende kwaliteit.
Ook de overheidsfinanciering is grillig. Toen de olie-inkomsten na 2014 wegvielen — zie aardolie in Tsjaad — volgden bezuinigingen, achterstallige salarissen en langdurige stakingen, waardoor in sommige jaren nauwelijks les werd gegeven. Een verloren schooljaar heet in Tsjaad een ‘wit jaar’, en de term is de afgelopen decennia meer dan eens gebruikt.
Hoger onderwijs
De universiteit van N’Djamena werd in 1971 opgericht en is nog altijd de grootste instelling van het land, met faculteiten voor rechten, economie, letteren en exacte vakken. Later kwamen er universiteiten en hogescholen bij in onder meer Abéché, Moundou en Sarh, deels om studenten uit de provincies niet allemaal naar de hoofdstad te laten trekken. Collegezalen zijn overvol, laboratoria en bibliotheken beperkt, en wie het kan betalen studeert verder in Kameroen, Marokko, Frankrijk of de Golfstaten. Studentenprotesten over beurzen en huisvesting zijn een terugkerend verschijnsel.
Waar de winst zit
De inschrijvingen in het basisonderwijs zijn over enkele decennia sterk gestegen, en er zijn programma’s die zich richten op schoolkantines, gratis schoolmateriaal voor meisjes en het opleiden van gemeenschapsonderwijzers. De rekensom blijft niettemin ongunstig: met een bevolking die elk jaar met circa 3 procent groeit, zoals blijkt uit de demografie, moet het aantal klaslokalen even hard meegroeien om alleen al gelijke tred te houden.
Betaald in graan: in veel dorpsscholen betaalt het oudercomité de onderwijzer na de oogst uit in zakken gierst of sorghum. Blijft de regen weg, dan valt niet alleen de oogst tegen maar ook het inkomen van de leerkracht — en staat de school het jaar daarop zonder meester.